Poetst een groen etiket het probleem weg?
![]()
Door Joh. Beijer,
Esther Ouwehand, lid van de Tweede kamer voor de patij voor de dieren, agnost en vegetarisch, beschrijft in haar artikel “Met een groen etiket is het probleem niet weg” (Trouw 14 febr. 09) de door haar en haar achterban bedachte verschrikkingen die zouden voorkomen in de moderne veehouderij; de zgn. Bio-industrie. Zij lijkt dan ook te pleiten voor het elimineren van deze in haar ogen dieronvriendelijke bedrijfsvoering.
Het hierbij ondersteunende motief is dat hiermee het wereldvoedselprobleem zou worden opgelost. Een groen etiket neemt niet altijd het probleem weg zegt zij. Dat is ongetwijfeld waar; er is groen, maar ook gifgroen. Dat dit nu juist moet gelden voor een van onze heiligste stokpaardjes, energiewinning uit mest, lijkt toch wel een erg ongenuanceerde uitspraak. We mogen ons hierbij afvragen of in dit opzicht kleurenblindheid haar parten speelt. Hoewel de naam Ouwehand mij doet herinneren aan heerlijk smakende haringen, die naar mijn beste weten nooit de houdbaarheidsdatum passeerden, vrees ik dat bij veel van de door Esther naar boven gehaalde vissen hun houdbaarheid al tijdens die handeling aanvechtbaar was.
“De nieuwste trend in duurzaamheid is energie opwekken uit mest. Het heet ‘groen’ maar is net zo vervuilend als energie uit kolen” Aldus Esther Ouwehand. Dat de gemeente Zeewolde met behulp van een mestvergister een hele wijk gaat verwarmen is naar haar mening niet een goed voorbeeld, het stelt niets meer of minder voor dan verwerking van het eindproduct van een ernstig vervuilende industrie.
Niet alleen dat hiermee zonder meer wordt gezegd dat veehouderij een vervuilende bedrijvigheid is; ook lijkt zij te suggereren dat we bezig zijn vee te houden om daarmee energie op te wekken. Dat Nederland zoals zij schrijft kamt met een mestprobleem is ontegenzeggelijk waar; 70 miljoen ton mest op jaarbasis, veelal geproduceerd in de veredelingsector, op bedrijven niet beschikkende over land, en dus aangewezen op afzet in die gebieden waar behoefte is aan organische mest, en waar deze zonder als schadelijk zijnde t.a.v. het milieu (vermesting) kan worden aangewend, vraagt veel papieren rompslomp en toezicht.
Maar er is meer: Daar mestverwerking op deze wijze, het deel dat door onze huisdieren niet wordt verteerd, in de vorm van bruikbare energie wordt teruggevoerd in het economisch proces, zal het bezwaar dat het produceren van een calorie vlees ten koste gaat van een veelvoud aan calorieën, voor een deel ontkrachten. Het zal ook de mogelijkheid openen de mineralen (de plantenvoedende elementen) 357 miljoen KG stikstof, (N) 166 miljoen KG fosfaat, (P2O5) en 575 KG kali (K2O) die bij verbranding en vergisting vrij komen, terug te voeren naar die gebieden in de wereld waar de grondstoffen voor veevoeder werden geproduceerd, en hiermee de door haar genoemde ‘brute verstoring van de natuurlijke kringloop’ kan worden hersteld. Biobrandstof uit kostbare granen? Misschien beter eerst het verteerbare deel op een andere wijze gebruiken.
“De onbeheersbare uitstoot van ammoniak en broeikasgassen”.
Een onderzoek, uitgevoerd door dr. G. Draaiers, gepromoveerd op een studie naar wisselende effecten van luchtverontreiniging, toonde aan dat het geen verschil maakt of ammoniakuitstoot plaats heeft in de nabijheid van bossen of op grote afstand daarvan. Dit lijkt niet in tegenspraak met onze verwachting dat ammoniak, gezien dit een soortelijk gewicht heeft dat slechts de helft is in vergelijking tot dat van de atmosferische lucht, geen andere weg open staat dan een verticale. Ook het onderzoek door het R.I.V.M. gefinancierd door het ministerie van landbouw, economische zaken en verkeer en waterstaat toonde aan dat geen schade kon worden vastgesteld aan bossen door ammoniak. Wij dachten dat het ammoniakverhaal hiermee zijn houdbaarheidsdatum goeddeels was gepasseerd, maar nu, met de in opkomst zijnde megastallen, waar in de meest geavanceerde voorzieningen tot beperking van geur, fijnstof en ammoniakuitstoot zijn aangebracht, wordt des ondanks het stokpaardje weer van stal gehaald.
Frits van der Schans is voorzitter van D66, ‘milieudeskundige’, raadslid gemeente Bruchem, en Statenlid. Als milieudeskundige is hem geen brandende kwestie te heet. Typ in op Google: januari 2009 observator oud en nieuw. Zoals Esther, beweerd ook hij, (Boerderij 19 juni 2007) dat de koeien verantwoordelijk zijn voor het produceren van 18% van het totale wereldwijd geproduceerde methaangas.
Ik kan niet bewijzen, of het inmiddels klassieke dokter Flimmeverhaal, dat gaat over een boer die bij nacht en ontij zich genoodzaakt zag de dierenarts uit te nodigen om zijn koe te verlossen van een hevige pensoploping, ten grondslag ligt aan de bewering dat nu juist de koeien verantwoordelijk zouden zijn voor uitstoot van broeikasgas. Maar het feit dat in dit verhaal, nadat de dierenarts de boer had uitgelegd dat, na het inbrengen van de sonde, het dan ontsnappende gas zeer brandbaar was, en de boer die dat wel eens wilde zien, met zijn flakkerende kaars de stal in lichterlaaie zette, lijkt het aannemelijk dat het broeikasverhaal daaruit voortkomt. Rede genoeg het naar het land der fabelen te verwijzen.
Enige verantwoording dat onze koeien, al herkauwende goed zouden zijn voor de uitstoot van 18 % van de wereldproductie aan broeikasgassen wordt niet gegeven. Dat is waarschijnlijk onmogelijk en hoeft kennelijk ook niet; Heeft Frits van der Schans en Esther Ouwehand vastgesteld hoeveel methaangas door het rundvee en al de andere dieren, plus dat uit sloten en moerassen wordt uitgestoten. En waren zij op de hoogte van het resultaat uit het meest recente onderzoek, gedaan door een team van wetenschappers, wat tot hun grote verbazing aantoonde dat bomen en gras enorme hoeveelheden methaan produceren? (Frank Keppler, John T.G. Hamilton, Mark Brass en Thomas Röckmann. “Methane emissions from terrestrial plants undet aerobic conditions”), Nature, 12 januari 2006. http://noorderlicht vpro.nl/artikelen/25932946/ Hoe groot was dan het percentage dat komt op conto van het rund? We weten niet eens hoeveel soorten van dieren er zijn. Een hierop gerichte vraag op internet maakt duidelijk dat er waarschijnlijk tussen 14 en 15 miljoen diersoorten op onze aarde voor komen. Daar van is het rund er een! Maar voor Frits en Esther is blijkbaar alleen belangrijk het grote publiek ervan te doordringen dat er iets zeer ernstigs staat te gebeuren. De rest volgt dan vanzelf. De politiek moet uiteindelijk zijn oren laten hangen naar dat wat leeft onder het volk.
Ook van der Schans zegt dat, om produceren van methaangas te voorkomen, de rundveestapel moet worden gedecimeerd en het deel dat de slachting overleeft in plaats van ruwvoer meer geconcentreerd voer moet worden gegeven. Dan is het toch vreemd wanneer je Marian Thieme (8 December 2007) op Nova hoort beweren dat juist de ecologische koeien die alleen maar ruwvoer mogen worden voorgezet geen methaan produceren. Wie jokt hier?
Overigens blijkt dat ondanks de hogere methaanproductie van toename nauwelijks sprake is. Waarom dat zo is weet niemand zeker. Mogelijk wordt methaan sneller afgebroken in de atmosfeer of in de grond. Frappant is dat het methaanniveau nauwelijks stijgt. Ook dit is te lezen op internet.
“Om de duurzaamheid van mestverbranding te beoordelen, moet je de productie van vlees en zuivel in zijn totaliteit bezien”.
‘Dan pas, zo schrijft zij, wordt duidelijk dat de verwoesting van de biodiversiteit en de uitstoot van broeikasgassen in de productieketen van dierlijke eiwitten buitenproportioneel is, en bij lange na niet kan worden goedgemaakt door opwekking van energie uit het restproduct om een woonwijk te verwarmen’.
Wanneer mestverbranding op grote schaal wordt verwezenlijkt zullen hiermee wellicht niet één maar duizenden woonwijken worden verwarmd. Wat die biodiversiteit aangaat; Ik neem aan dat hiermee de teruguitgang van de tropische regenwouden wordt bedoeld: De wereld beschikt op dit ogenblik over 42 miljard hectaren regenwoud. Een paar miljoen hectaren ontginnen voor voederteelt is daarmee al minder indrukwekkend,. Sinds de tijd dat de Batavieren nog actief waren in ons land, is ook hier veel bos omgetoverd tot vruchtbaar akkerland, en nog niet zo lang geleden hebben we grote plassen en meren drooggelegd ook voor de landbouw.
Een aantal zaken worden vaak, terwijl niet kan worden aangetoond dat het hierover beweerde strookt met de werkelijkheid, opgevoerd om het houden van dieren voor het produceren van vlees en de ontwikkeling van grootschalige moderne landbouw af te houden. Het is levensgevaarlijk echter wanneer argumenten worden gebruikt die niet van doen hebben met de onderliggende motieven. Zo zal de antiglobalist bijvoorbeeld pleiten voor het behoud van kleinschalige landbouw onder het motto dat ‘landbouw hoort bij de samenleving’, en daarbij ook de primitieve landbouw in de onderontwikkelde landen in bescherming neemt tegen de opkomende grootschaligheid wanneer vrije wereldhandel werkelijkheid wordt. Zij zeggen te vrezen dat daarmee, ook op agrarisch gebied multinationals hierbij de toon zullen zetten. Verder speelt hierbij hun bezwaar t.a.v. het milieu en het teloor gaan van cultuureigen waarden. Maar is het niet vooral de afkeer t.a.v. de vrije ondernemer, de aloude socialistisch-communistische opvatting dat eigendomsrecht op productiemiddelen ongeoorloofd is, die het werkelijke motief vormen? De milieubezwaren richten zich vooral tegen het wereldwijde “gesleep” van goederen dat gepaard gaat met het vrijkomen van het broeikasgas CO2 en het “brute” verstoren van de natuurlijke kringloop. Maar afgezien van het feit dat het CO2 verhaal zeer omstreden is, en de brute verstoring, zoals hierboven aangegeven onnodig, betekent dit dat met dergelijke ongefundeerde argumenten niet alleen de vereffening van onze grote schuld t.o.v. de derdewereldlanden wegens het protectionistisch landbouwbeleid wordt afgehouden, het betekent ook dat hiermee het grote goed van een vrije wereldhandel, die werkelijk zal bijdragen aan de oplossing van het wereldvoedselprobleem onmogelijk wordt gemaakt.
De Dierenbescherming, het Vegetarisme, de Recht voor Dierenorganisaties, het Dierenbevrijdingsfront, waarvan bekend is dat hun streven is het consumeren van vlees als een onderdeel van ons ’barbaars’ verleden te zien opgetekend in de analen van de menselijke geschiedenis, vindt je niet zo gauw op de barricaden om dit voluit te verkondigen. Alleen Jan Dobben, vertegenwoordiger van de dierenbescherming zegt dat hoewel zij pleiten voor een echte biologische veehouderij, het hun streven is dat geen vlees meer zal worden gegeten. Dit is duidelijke taal, maar het maakt ook duidelijk dat misleiding en leugenachtigheid deze organisaties niet vreemd zijn. Hun werkelijke drijfveren verdoezelend, in de wetenschap verkerende dat, gezien het feit dat de technische vooruitgang niet alleen de mogelijkheid schiep met een minimale inzet van menselijke arbeid grote aantallen dieren te houden, en dat bovendien de zuigkracht van de door deze technische vooruitgang uitdijende industrie en dienstensector op het voorhanden zijnde arbeidspotentieel, dit noodzakelijk maakte, ligt het voor de hand allereerst de grootschalige landbouw en veehouderij te demoniseren. Deze wijze van produceren te betitelen als bio-industrie en de suggestie wekken dat gruwelijk dierenleed hiermee gepaard gaat, spreekt de burger aan. Wanneer hierbij de biologische veehouderij wordt voorgesteld als alternatief, waarbij diervriendelijk, gezonder, smakelijker en meer verantwoord consumeren de sleutelwoorden vormen voor het excuus dierlijke producten te consumeren, opent dat wellicht de weg tot het uitbannen van de moderne veehouderij. Mocht daarbij de wens, import van bijvoorbeeld goedkoop Braziliaans vlees tegen te houden worden gehonoreerd door de vrije wereldhandel een halt toe te roepen, wordt het consumeren van dierlijke producten nog slechts een elitaire aangelegenheid.
Ondanks deze strategie, de openlijke discussie rond het houden van dieren met als doel deze te consumeren vertoont een opgaande trend.. Dat mag, maar die discussie moet wel worden gevoerd met eerlijke argumenten, niet met leugens en op terreur lijkende activiteiten. Wij behoren tot de klasse van de omnivoren; De enige mogelijkheid als landbouwhuisdier het licht te zien, is dan ook de garantie dat het mag worden gegeten, een dier heeft geen weet van wat dood gaan betekent, hij leeft dus ook niet met dat gruwelijk vooruitzicht. Dit lijken toch geldige argumenten die in deze discussie mogen worden opgevoerd om het houden van dieren voor vleesconsumptie, zolang hiervoor geen aannemelijk alternatief is, te rechtvaardigen.
Vegetarisme leidt tot het uitsterven van onze landbouwhuisdieren. Het leidt ook tot een cultuuromslag; Geen net verpakte vis of vlees in de winkelschappen, geen viskramen op de wekelijkse markt, en ook de kaasboer laat verstek gaan. In plaats van koemelk drinken we sojamelk, en in plaats van een heerlijk lamskoteletje of malse kuikenbout nemen we genoegen met een op sojabasis nagemaakt alternatief. Maar ook de landschappelijke omgeving zal een grote verarming ondergaan. Dit tenzij we bereid zijn de verschraalde leefruimte op onwaarachtige wijze te stofferen met disfunctionele veehouderijen, geleid door van het rijk uit onderhouden figuranten.
Voor bemesting van onze gewassen, bij afwezigheid van organische mest zullen we zijn aangewezen op het gebruik van nog meer kunstmest; een meststof die juist door allerlei milieuorganisaties wordt afgewezen. Maar afgezien van het feit dat de meeste kunstmest weliswaar voorziet in aanvulling van elementen, zoals stikstof, fosfor, en kali, welke op verreweg de meeste grondsoorten onvoldoende voorhanden zijn, zal ook een tekort ontstaan aan voor de plantengroei noodzakelijke sporenelementen als koper, magnesium, mangaan, borium, selenium en vele anderen, die tot nu toe voor een groot deel met organische mest in de grond werden terug gebracht. Zo zal vegetarisme niet alleen leiden tot verschraling van onze leefomgeving en onze eetcultuur, maar ook tot verschraling van de bodem. Hieraan mag worden toegevoegd dat genoemde elementen ook voor mens en dier van levensbelang zijn. Misschien rest ons voorlopig alleen de mogelijkheid de door ons zelf geproduceerde fecaliën terug te brengen op onze, op de verbouw van vegetarische gewassen toebereide akkers.
Het is bekend dat het produceren van een calorie vlees ten koste gaat van meerdere calorieën voedende bestanddelen. Een gegeven dat ook onze milieuorganisaties en de Recht voor dieren beweging in een spagaat lijkt te brengen. Enerzijds verschaft dit hen een argument te meer in hun strijd tegen het consumeren van vlees, anderzijds worden ook zij hierin geconfronteerd met uit sterven van onze landbouwhuisdieren. Ons pleidooi tegen het vegetarisme wordt niet alleen ondersteund door wat in het hier aan voorafgaande is genoemd. Ook het feit dat bijproducten die vrijkomen bij de bereiding van onze voedingsmiddelen, en ongeschikt zijn voor menselijke consumptie, verwerkt worden in de veevoederindustrie, maar ook het feit dat een groot deel van de cultuurgrond alleen geschikt is voor beweiding, ontkracht voor een groot deel de stelling dat vleesproductie bijdraagt aan het wereldvoedseltekort
“Grootschalige mestvergisting, schrijft zij, is alleen mogelijk als de mest wordt opgevangen in kelders, en dus alleen winstgevend als de koeien op stal worden gehouden”. Zij meent echter dat voor het welzijn van koeien deze behoren te grazen in de wei. Daarbij echter wordt vergeten dat niet alleen de mest van het rundvee slechts een klein onderdeel vormt van het geheel wat aan mest wordt geproduceerd, maar ook dat de koeien in elk geval de helft van het jaar worden binnen gehouden. Dat het welzijn, grazend in de wei, op een hoger niveau zou liggen, is helemaal niet zo zeker. Zeker is dat wanneer de zon hoog aan de hemel staat, en de koeien worden belaagd door vliegen, daas en horzel, zij graag de luwte van de stal opzoeken, terwijl langdurige regenperioden niet alleen slecht zijn voor hun gezondheid maar zeker ook hun welzijn niet ten goede komt. En mag ik Esther er aan herinneren dat nog niet zo lang geleden het parlement, geheel in paniek wegens het alarmerende bericht van een of andere milieudeskundige, dat buitenlopend rundvee, vanwege de door hen geproduceerde straal naar beneden, de ammoniakuitstoot tot een gigantisch probleem dreigden te maken, een wet meende te moeten uitvaardigen, inhoudende dat al het vee per direct diende te worden opgestald. Waarschijnlijk hebben een paar echte deskundigen de parlementariërs er van kunnen overtuigen dat in verse urine geen ammoniak voorkomt. Daar heeft de krant geen melding van gemaakt. De koeien werden niet opgestald. Dat het huidige streven er op gericht is de koeien binnen te houden heeft o.a. te maken met het feit dat het aantal koeien per bedrijf sterk is toegenomen, en daardoor het benodigde grasland slechts voor een klein deel bereikbaar is voor het vee.
Zij stelt dat de structurele honger in de wereld een prangende kwestie wordt, en dat de VN jaren geleden al aangaf dat de consumptie van vlees en zuivel in het rijke Westen sterk zal moeten dalen om alle monden in de wereld te kunnen voeden. En, zegt zij:“Als we straks ook voor de energiewinning nog afhankelijk worden van de veestapel, raakt het oplossen van de voedselcrisis pas echt uit beeld”.
Als we op onze tellen passen, zullen we voor wat onze energievoorziening aangaat niet afhankelijk worden van de veestapel. Deze zou wel een bijdrage daarin kunnen betekenen, maar wellicht, behalve een naar de hemelreikend windmolenpark zullen we er voorlopig het meest verstandig aan doen de ‘godgegeven’ oliebronnen, gasvelden en teerzanden niet te verwaarlozen. De voedselcrisis: Natuurlijk is het denkbaar dat de noodzaak ons te beraden op onze vleesconsumptie zich wel eens zou kunnen voordoen. Maar moeten we alvorens de gemeenschap hiermee zo gretig lastig te vallen, niet beginnen met uit te zien naar meer voor de handliggende oplossingen?
In zijn artikel “Biotech voedsel en de toekomst van Transgene gewassen” beschrijft Dennis T. Avery , Director over het Hudson institute’s Center voor Global voedselonderwerpen, hoe met gebruik maken van het perspectief dat het kweken en verbouwen van transgene gewassen biedt, niet alleen de wereld voedselproductie kan worden verdrievoudigd en daarmee de verwachtte 8,5 miljard mensen in het jaar 2035 kunnen worden gevoed, te gelijkertijd stelt hij, zal hiermee worden voorkomen dat de tropische bossen tot cultuurgrond moeten worden omgevormd, waarmee miljoenen levensvormen verloren zouden gaan.
Opportunisme, Behoudende sentimenten, Anti globalisatie, Monopolisering, Kleinschalig, Anti kunstmest, Anti bestrijdingsmiddelen, Anti gentechnologie, Diervriendelijk vereenzelvigen met kleinschaligheid. Zie daar de ingrediënten voor een Wereld voedseltekort
Opportunisme, maar ook behoudgezindheid is wat de achterhaalde landbouw drijft in de armen van milieuclubs en recht voor dieren organisaties. Opportunisme ook, wanneer onze landbouworganisaties zich scharen achter antiglobalisatie en hun invloed aanwenden voor het behoud van protectionistisch landbouw beleid.
Hebben behoudzuchtige sentimenten in de samenleving, door obscure groeperingen aangegrepen om steun te verwerven voor hun protestacties tegen de moderne landbouw, niet tot gevolg gehad dat de gemeenschap en daarmee ook de politiek zich vaak onterecht keerde tegen de ontwikkelingen op agrarisch gebied?
Monopoliseren maakt dat productieve mogelijkheid van arbeid en kapitaal wordt aangewend naar rato van optimaal financieel voordeel, niet ter verwezenlijking van het grootst mogelijk product. Het maakt goederen en diensten schaars en het leven duur
Anti kunstmest, anti bestrijdingsmiddelen, antigen technologie; De lage opbrengsten als gevolg hiervan dragen niet alleen bij aan de armoede in de wereld, ook leidt dit tot opoffering van natuurgebieden ten behoeve van de voedselvoorziening.
Het is een drogreden wanneer de milieubeweging pleit voor diervriendelijke veehouderij en milieuvriendelijke teelt van gewassen, en dit koppelt aan kleinschaligheid. Hier mee wordt achterhaalde landbouw onder de ecologische dekmantel, vaak door de overheid gesubsidieerd, in stand gehouden.
Esther Ouwehand (Katwijk, 10 juni 1976) is een Nederlandse politica voor de Partij voor de Dieren.
Na een aanvankelijke apolitieke carrière in de marketing van jongerentijdschriften bij Sanoma Uitgevers is zij sinds oktober 2002 betrokken bij de Partij voor de Dieren, waar zij in 2004 coördinator werd van het partijbureau. In die functie heeft zij gewerkt aan de opbouw van de partijorganisatie. Ze heeft een achtergrond in het jongerenwerk en is bestuurslid van jongerencentrum "De Schuit" in Katwijk.
In 2006 was Ouwehand bij de landelijke verkiezingen tweede op de kiezerslijst van de partij en was zij sterk betrokken bij de verkiezingscampagne. Zij had een belangrijk aandeel in de formulering van het verkiezingsprogramma. Op 30 november 2006 werd zij evenals lijsttrekker Marianne Thieme beëdigd als Tweede Kamerlid voor de Partij voor de Dieren.
Esther Ouwehand is protestants opgevoed maar is tegenwoordig agnost. Voorts is zij vegetariër
De link Januari 2009 Observator oud en nieuw heeft te maken met het feit dat deze milieudeskundige, lid van de gemeenteraad, lid van de Provinciale Staten, voorzitter Democratische partij D66. Frits van der Schans in de nieuwjaarsnacht samen met nog een aantal belhamels werd opgepakt wegens het verbranden van autobanden.

Reacties
Elke verbetering, elke oplossing, maakt de weg naar het einddoel voor Esther en Frits alleen maar meer onbegaanbaar!
Gepost door: Joh. Beijer | April 19, 2009 03:02 PM